12°C

Herinneringen van André Leijssen: Doortrapper

omega

Bron foto: Een Omega, dames-cardanfiets uit ca 1900, te vinden op https://oudefiets.nl. Met toestemming van het bestuur van de Vereniging ‘De Oude Fiets’.

André Leijssen werd op 27 november 1949 geboren aan de Molenstraat 26 (voorheen 12) in Heeze. In 1963 of 1964 verhuisde de familie Leijssen naar Oudenmolen 5, een huisje dat zijn vader had gekocht en later samen met twee van André’s broers – een timmerman en een metselaar/tegelzetter – uitbreidde en verbouwde. Dit huis werd later afgebroken, waarna zijn vader vlak daarnaast een nieuw huis liet bouwen aan de Saturnus. Tot zijn 22ste woonde André in Heeze, waarna hij naar Tilburg verhuisde om sociologie te studeren. In augustus 1973 vervolgde hij zijn studie aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen, waar hij deze succesvol afrondde. De jaren in Heeze, van 1949 tot en met 1971, vormden zijn jeugd en liggen aan de basis van vele dierbare herinneringen.

Die jeugdherinneringen wil André graag met anderen delen. Elke maand neemt hij ons mee terug in de tijd, naar zijn jeugd in Heeze en de omgeving daaromheen.

 


Citaat:

„Laat mij eens op jouw fiets, Hein,” zei Hendrik, „jouw fiets is lager dan de mijne en ik zal er van eigens op kunnen en er van af gaan”. „Het is een doortrapper”, waarschuwde Heintje. „Net wat ik hebben moet. Hier vat jij mijn fiets zolang.” Hendrik wierp zijn been met een houterig gebaar over de doortrapper van Heintje. Ha, hij kwam met de neus van zijn klompen aan de grond. Hij zette één voet op de pedaal en voorwaar, hij reed heen! Hij reed zelfs hard. De pijpen van zijn overall fladderden om zijn enkels. „Pas op! pas op!” riep men hem na, „kom niet met je boks tussen de ketting!”

Misschien begreep Hendrik niet alles, misschien bereikte hem slechts enkele flarden van woorden. Hij wilde althans vaart verminderen maar onweerstaanbaar vloog hij op de trappers de hoogte in en toen hij weer op het zadel neerbutste zat hij met zijn boks tussen de ketting. Een scherp gekraak van gloednieuw stof, een wild gemaai van twee armen, het knikken van een kittige fiets dit is de normale gang van zaken. Hendrik werd gelukkig verder onbeschadigd onder zijn kleine puinhoop vandaan gehaald. Men stampte de doortrapper weer in zijn gelid en ieder nam zijn eigen rijwiel. Toen zij gedrieën verder reden, zeiden de gebroeders zo langs hun neus weg, nadat ze elkander even hadden aangezien: „Hendrik, wij kunnen jou wel steeds blijven helpen met afstappen maar daar schieten we ten langen leste niks mee op. Zelf proberen”. „Ja”, antwoordde Hendrik.

Uit: Toon Kortooms: Beekman en Beekman. 1949, p. 60-61.

Het fietsen heb ik geleerd op een zo’n doortrapper zonder spatborden, zonder kettingkast, zonder bagagedrager en zonder rem. Een doortrapper is een fiets waarop geen terugtraprem zit of remmen op de velgen van de wielen. Soms was er de rem waarmee men het ‘remvoetje’ op de voorband van de fiets kon knijpen. Verder moest je gewoon niet meer trappen dan kwam je ook stil te staan. Maar dit lukte niet goed omdat vanwege de snelheid van de fiets de trappers bleven rondgaan. In de as van het achterwiel zat geen mechaniekje waarmee de achteras van de fiets een zogenaamde ‘vrijloop’ had. Als je de trappers bewoog dan bewoog het achterwiel mee, en omgekeerd als het achterwiel bewoog dan bewogen de trappers mee. Met een doortrapper kon je ook achteruit fietsen. Maar daar heb ik me nooit aan gewaagd. Onze doortrapper had ook geen kettingkast: je liep dus het risico dat je broek tussen de ketting en het voortandwiel terecht kwam. Maar in die tijd hadden wij, jonge jongens, meestal een korte broek aan. Veel transportfietsen uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw waren ook doortrappers.

Ik heb pas laat leren fietsen. Ik geloof dat ik een jaar of elf was. Tot die tijd verplaatste ik me altijd te voet. Dat ging ook goed want verder dan de school, de kerk, het huis van opa en oma, het bos en het speelterrein bij de ruïne van de oude molen in De Weibossen kwam ik niet. Maar op mijn elfde werd het wel tijd dat ik leerde fietsen. Wat mij zeer motiveerde, was dat mijn jongere broer (Nico) al wel kon fietsen. Ik wilde immers op mijn 12e naar de Mulo school in Geldrop en dat was te ver om dagelijks te lopen. Alle leerlingen vanuit de omliggende dorpen van Geldrop (voornamelijk Nuenen, Mierlo, Heeze en Sterksel) fietsten naar school.

Het probleem van de beginnende fietser is dat je steeds naar beneden kijkt om de trappers te vinden en te zien wat je voeten doen. Je fietst immers door je voeten in beweging te zetten. Maar dan let je niet op het sturen en gaat het mis. Je stuur slaat om en meteen lig je op grond. Een driewielerfietsje om dat leerproces wat beter te laten verlopen hadden we vroeger niet. Dus hop, op de fiets en trappen maar. Kijken waar je naar toe wilt fietsen dan lukt het sturen ook vanzelf.

In veel dagbladen van februari 1951 werd door de ANWB een redactioneel artikel geplaatst naar aanleiding van de nieuwe verkeerswet. Gebleken is dat er nog een behoorlijk aantal ‘doortrappers zonder rem’ aan het verkeer deelnamen.

Fietsen moeten een rem hebben!

De A.N.W.B. wijst er nog eens op dat volgens de nieuwe verkeerswet iedere fiets een goedwerkende rem moet hebben.

De door slagersjongens en anderen gebruikte „doortrapper” dient dus te worden voorzien van een hand- of terugtraprem.

Het blijkt dat op vele plaatsen in het land bekeuringen vallen!

Uit: Dagblad voor Noord-Limburg, 13 februari 1951.

De doortrapper is inmiddels uit het verkeer verdwenen. Bij het baanwielrennen wordt nog gebruik gemaakt van een bijzondere voor deze sport ontworpen doortrapper.

Bij ‘vanRaam’ in Varsseveld (www.vanraam.com) worden duo-fietsen gemaakt die speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking of voor ouderen, waaronder driewielfietsen. Het ‘doortrapper-systeem’ van deze fietsen dwingt de duo-gebruiker om met de trappers mee te bewegen. Voor sommige bewoners van instellingen is dat wenselijk. Op deze wijze kan een begeleid(st)er met een bewoner op een instellingsterrein en daarbuiten fietsen.

Vier jaren (1962-1966) ben ik naar de ‘R.K. Uloschool voor jongens Sint Albertus Magnus’ in Geldrop gefietst. Oorspronkelijk in de Heilige Geeststraat, later in de Heggestraat. Van mijn oudere broer Ad had ik zijn halfhoge groene fiets overgenomen: ik was nogal klein van stuk. Later heb ik de fiets van opa gekregen, die ik met broer Henk ruilde voor zijn blauwe fiets met een hangstuur.

© André Leijssen, februari 2026.

Gratis advertenties