André Leijssen werd op 27 november 1949 geboren aan de Molenstraat 26 (voorheen 12) in Heeze. In 1963 of 1964 verhuisde het gezin naar Oudenmolen 5, een huisje dat zijn vader kocht en samen met twee zoons verbouwde. Later werd dit huis gesloopt en bouwde zijn vader een nieuw huis aan de Saturnus. Tot zijn 22ste woonde André in Heeze; daarna vertrok hij naar Tilburg en later naar Nijmegen voor zijn studie sociologie. De jaren in Heeze vormen de basis van vele dierbare herinneringen, die hij in deze column graag met anderen deelt.
In het huis aan de Molenstraat 12 (later nr. 26) te Heeze ben ik geboren. Tot aan de verhuizing naar Oudenmolen 5 in Heeze, in het schooljaar 1963/1964, heeft ons gezin daar gewoond. Dit huis werd in de volksmond ook wel ‘De Fiereliet’ genoemd. Henk van Asten heeft in zijn boek (2015): Ondernemend Heeze. Rondgang vroeger en nu. Deel 3 een verklaring gegeven waar deze naam vandaan komt. Het huis is een restant van een molensteenfabriek die ‘De Vereulithe’ heette. Fiereliet klinkt wat makkelijker. Mijn vader heeft dit gebouw gekocht in 1946; voorheen woonde hij met zijn gezin in de Schoolstraat, tegenover de Dirk Heziusschool. Hij heeft in de Molenstraat een meubelmakerij-stoffeerderij gevestigd. Bij de verbouwing van het nieuwe huis aan de Oudenmolen 5 heeft hij een molensteen uit het ‘oude’ huis gebruikt voor de opstap naar het terras. De molensteenfabriek is niet zo’n succes geweest. Oorspronkelijk een steenfabriek, opgericht in 1901 (N.V. Steenfabriek ‘De Vereulithe’); in 1906 wordt faillissement aangevraagd, gevolgd door een liquidatie in 1913 van ‘De Vereulithe’ (bron: BHIC: Brabants Historisch Informatie Centrum). In de jaren ’20 van de vorige eeuw is de vraag naar molenstenen aanzienlijk afgenomen. Ook de molensteenfabriek was niet meer te handhaven; de voormalige fabriek heeft lang als bouwval in de Molenstraat gestaan, volgens de Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie Erfgoedkaart Heeze-Leende (2018, p. 273-274).
Toen ons gezin er kwam wonen, was het woonhuis oorspronkelijk tot aan de straatweg; tussen de straat en het woonhuis paste geen trottoir. Overigens herinner ik me nog wel dat er geen trottoirs waren in de Molenstraat. In het voorste gedeelte van het gebouw woonden toen andere mensen. Aanvankelijk woonden daar fam. Leijssen-Ramakers (ome Andries en tante Jet). Mijn neef Fred is daar nog geboren. Daarna is het jonge gezin Vereijken daar komen wonen, totdat zij verhuisden naar Goirle.
Mijn vader heeft besloten om dat voorste stuk van het gebouw af te breken. Of de wens van de gemeente daarin een rol heeft gespeeld, is mij niet bekend. De afbraak leverde een heleboel nog bruikbaar bouwmateriaal op: balken en bakstenen. Hij mobiliseerde zijn vijf oudste zonen en ook jongens uit de buurt om de bakstenen te bikken voor 1 cent per stuk. Dat kon omdat het metselwerk van vroeger werd uitgevoerd met kalkspecie. Ik heb daar zelf ook nog aan meegewerkt, maar dat bikken langdurig volhouden was niet weggelegd voor een jongen van mijn leeftijd. De funderingen waren niet van beton, maar ook
gemetseld van bakstenen.
Buurjongen, Ad, André, moeder met Nico en Mia (1952). Foto is genomen op de rechterhoek van de voorbouw, toen dit gedeelte nog niet was gesloopt (uit: familiearchief).
Later heeft er ook nog een andere afbraak plaatsgevonden: het achterste gedeelte van de tweede verdieping is ook gesloopt. Daarmee waren twee zolders verdwenen die ook dienst deden als speelplaats: daar kon je goed verstoppertje spelen. Zonder gevaar was dat niet; mijn broer is een keer door de vloer gezakt met één been en daarbij zijn laars ‘verloren’. Het resultaat van de verbouwing was een groot plat dak, waarvan een gedeelte was afgemaakt met een balustrade. Daar mochten wij wel komen, maar er zwaaide wat als we over de balustrade klommen waar grind lag.
Beneden leefden wij in een zeer grote keuken. Daar speelde het leven zich af. Dit was ook het domein waar moeder de baas was. Daar speelden we, daar werd huiswerk gemaakt, daar maakten we ruzie met elkaar. In huishoudens met meer meisjes kregen die in menig gezin huishoudelijke taken. Ons moeder wist al meteen dat in een gezin met acht jongens en één meisje ook de jongens huishoudelijke taken op zich moesten nemen: afwassen, boodschappen doen, een gaskruik halen, aardappelen bij de boer halen, de kippen voer en water geven, op zaterdag buiten harken en vegen, spullen opruimen. In het midden van de keuken stond een grote tafel met elf stoelen; ieder had een vaste plek aan tafel. Toen de televisie werd aangeschaft, kreeg die een centrale plek in de keuken. Moeder stond ’s morgens om zes uur op om in de herfst of winter de kachel aan te maken met hout en kolen: eerst antraciet en daarna briketten.
In de zijbouw aan de rechterkant had vader een ‘nette’ huiskamer gemaakt met een petroleumkachel. Die kamer werd nauwelijks gebruikt, enkel als er ‘sjieke’ mensen op bezoek kwamen. Achter de keuken was een bijkeuken met een kast waarop een driepits gastoestel stond, met butagas uit een gaskruik. Daar kookte moeder als de kachel niet brandde. Ook de bijkeuken was zeer ruim; moeder deed daar de was in een houten wastobbe met een elektromotor eronder en een wringer erop. Later werd deze tobbe vervangen door een elektrische wasmachine en een centrifuge. Dat was voor de tijd dat er volautomatische wasmachines bestonden.
We hadden in die tijd (begin jaren ’50) ook een toilet buiten in ‘het huisje’: een apart houten gebouwtje tegen de muur aan, met een ‘oude’ kakdoos, groen geschilderd, een hartje in de toegangsdeur en krantenpapier om je bips mee af te vegen. Later heeft vader een toilet en wasruimte inpandig gemaakt, toen er in de Molenstraat riolering was aangelegd. De wasruimte was toen nog niet voorzien van vloer- en wandtegels, maar afgewerkt met cementspecie. Ook ontbrak er verwarming: in de winter was je snel klaar met wassen. Water voor de wasbeurt werd op het gastoestel verwarmd.
Achter de bijkeuken was de toegang tot de timmerwerkplaats van vader: een behoorlijk grote ruimte; ik schat toch wel tussen de 10 en 15 m diep en 5 of 6 m breed. Als hij niet naar zijn werk was, dan was hij ’s avonds en op zaterdag daar te vinden. Aan de linkerkant van de begane grond werd een ruimte verhuurd: volgens mijn oudere broer eerst aan de jeugdbeweging de ‘Kajotters’ (Katholieke Arbeidersjeugd – KAJ) en later aan Sinus Machinefabriek (Van Geel, SIWA-wasmachines) aan de Geldropseweg. Achter in deze ruimte was een podium, wat erop wijst dat er ooit voorstellingen zijn gegeven. De woning was voorzien van een flinke tuin. Er werden wel wat groenten gekweekt en er stond een perzikenboom. Ik herinner me nog dat er altijd rabarber stond. Ook hadden we een kippenhok met een kippenren. Mijn vader had als hobby duiven melken. Achter in de tuin stonden zijn duivenhokken (hierover in een latere column meer). Achter onze tuin lag het bouwland van boer Van Asten (Molenstraat 8). In mijn herinnering werd daar altijd rogge verbouwd.

V.l.n.r. kinderen Leijssen: Nico, André, Mia, Ad, Jan, Henk, Kees, Tinie (ongeveer 1955). Foto genomen in de tuin van Molenstraat 12, voor het kippenhok met -ren. De jongste (Peter) was toen nog een baby (uit: familiearchief).
© André Leijssen, november 2025.




